Voor het stoplicht bij de Jaarbeurs Utrecht staat een meisje te wachten. Van achter ziet ze er moe en verslagen uit, alsof de week net iets te lang duurde en deze zondagavond teveel is. Ze heeft een geruit vest aan, zwart met wit. Kleine ruitjes. Het is een beetje vuil. Ze staat te wachten tot het stoplicht haar toestemming geeft om naar huis te fietsen en de week achter haar te laten.
Naast haar komt een jongen staan. Hij is georganiseerd, heeft alles op orde. Zijn jas zit recht, zijn rugzak is gevuld. Alle haren op zijn hoofd houden zich keurig aan de regels van zijn kapsel. Voor- en achterop zijn fiets knipperen lampjes. Hij maakt geen fouten en wordt niet verrast.
Hij wijst even naar het knopje, lijkt aan het meisje te vragen of ze er al op gedrukt heeft. Dan vraagt hij iets anders, iets wat ik niet kan verstaan maar iets persoonlijkers. Hij legt zijn hand op haar hand, die stevig om haar stuur geklemd zit. Ze kijkt hem niet aan, haalt alleen haar schouders op. Onverschillig, of verdrietig. Ze kennen elkaar.
Het licht springt op groen en de jongen begint hard te fietsen, alsof hij binnen een paar seconden op zijn ideale snelheid moet zitten. Het meisje fietst ook, maar langzaam en zonder kracht. Ze blijft achter. Hij kijkt af en toe om, als een bevestiging dat ze nog steeds samen zijn en niet twee vreemden.
Geen van de twee lijkt naast de ander te willen fietsen. De jongen remt soms af, maar maakt de afstand weer groter als het meisje dichterbij komt. Het meisje laat anderen erlangs. Ze laat mij erlangs.
Ze stopt langs de stoep. De jongen kijkt netjes naar links, naar rechts, weer naar links en steekt dan de straat over. Voor hij tussen de huizen verdwijnt, kijkt hij nog naar de overkant. Ze kijken elkaar aan. De week duurde net iets te lang.


Alweer zo’n prachtige observatie en wederom met prachtige zinnen beschreven. Waarom ben je nog steeds niet als uitstekend columnist ontdekt?